‘In Spanje is een embryo iets anders dan in Nederland’

Minister Ernst Kuipers (VWS) wil de wettelijke definitie van ‘embryo’ aanpassen. Maar wat is een embryo eigenlijk en wie mag dat bepalen?

Illustrator: Maarten Boers

Wat is een embryo? Dit lijkt een biologische vraag, maar het is een filosofische vraag, zeggen drie Nederlandse ethici. De vraag beantwoord je niet alleen door embryo’s onder een microscoop te leggen. Je zult een definitie moeten geven. Aan zo’n definitie liggen keuzes ten grondslag met politieke consequenties.

De drie ethici zijn Nienke de Graeff (Leiden UMC), Hafez Ismaili M’hamdi (Erasmus MC) en Ana Pereira Daoud (Universiteit Maastricht). Ze zijn verbonden aan het PSIDER-project van ZonMw waarin Nederlandse wetenschappers onder andere embryo-modellen gaan maken voor onderzoek. Deze embryo-modellen, gemaakt uit stamcellen opgekweekt in het lab, bootsen de embryonale ontwikkeling na. Maar wat zijn het voor entiteiten? Verdienen ze bescherming volgens de wet, net als ‘echte’ menselijke embryo’s?

Die vragen zijn niet eenvoudig te beantwoorden, want ‘embryo-modellen’ zijn er in verschillende soorten en maten. Ismaili M’hamdi doet onderzoek naar de meest geavanceerde embryo-modellen: blastoïden. Daarmee proberen wetenschappers een intact embryo na te bootsen. De Graeff richt zich op gastruloïden. Die bootsen de gastrulatie na, een periode in de vroege ontwikkeling van het embryo (14-28 dagen) waarin bloed-, spier- en hartcellen zich ontwikkelen. Deze gastruloïden hebben geen hersenstam of ruggenmerg, ze kunnen dus nooit uitgroeien tot een mens. Pereira Daoud houdt zich bezig met geslachtscellen gemaakt uit stamcellen (gameten).

Welke smaak je ook kiest, alle embryo-modellen die wetenschappers in het lab maken staan biologisch gezien nog ver af van ‘natuurlijke’ embryo’s die ontstaan uit een ei- en zaadcel. Die zitten zo vernuftig in elkaar dat ze moeilijk na te maken zijn. De blastoïden komen het meest in de buurt. “Die dingen zijn niet makkelijk te maken”, zegt Ismaili M’hamdi. “Maar geef het tijd, en dan zullen de creaties uit het lab biologisch gezien niet meer te onderscheiden zijn van menselijke embryo’s.”

Definitiemacht

Stel dat we erin slagen om embryo’s uit stamcellen te maken die wetenschappers niet kunnen onderscheiden van een bevruchte menselijke eicel (dit noemt Ismaili M’hamdi voor de grap ‘de embryo-turingtest’), dan is het maar de vraag of je nog kunt spreken over ‘embryo-modellen’. Moeten we ze dan niet gewoon embryo’s noemen?

Die vraag kun je niet beantwoorden zonder na te denken over de vraag: wat is een embryo? Een antwoord daarop blijkt nog niet zo eenvoudig.

“De wettelijke definitie van een menselijk embryo verschilt per land”, zegt Pereira Daoud. “In Spanje is een embryo ‘een bevruchte menselijke eicel’. In Nederland is een embryo een ‘cel of samenhangend geheel van cellen met het vermogen uit te groeien tot een mens’.” Spanje neemt de ontstaansgeschiedenis van het embryo als uitgangspunt, de Nederlandse definitie gaat over de potentie.

Biologisch gezien kloppen de definities allebei, maar ze hebben andere consequenties. De Spaanse definitie vrijwaart de embryo-modellen die wetenschappers in het lab maken van het label ‘menselijk embryo’. Embryo-modellen zijn immers gemaakt van stamcellen; ze zijn niet het product van de bevruchting tussen een eicel en een zaadcel. Het betekent ook dat Dolly het schaap nooit een embryo is geweest, het gekloonde dier ontstond niet uit een bevruchte eicel.

De Nederlandse definitie, aan de andere kant, sluit embryo’s uit die niet levensvatbaar zijn. Dat zijn strikt genomen geen embryo’s, want daar gaat nooit een mens uit voortkomen. Bovendien is het niet duidelijk wanneer ‘het vermogen om mens te worden’ ingaat. Vanaf het moment dat er een hartslag is? Meteen vanaf de bevruchting? “Die grens kun je heel ver oprekken”, vertelt Pereira Daoud. Iemand zou kunnen beweren dat ook een zaadcel het vermogen heeft om mens te worden; er is alleen nog een onbevruchte eicel en een baarmoeder nodig.

Je kunt een embryo definiëren op basis van de oorsprong (hoe het tot stand komt), de potentie (waartoe het kan uitgroeien) of de actuele eigenschappen (hoe het eruit ziet), vertelt De Graeff. “Wetenschappers benadrukken vaak dat de huidige embryo-modellen waar ik onderzoek naar doe, gastruloïden, geen neurale weefsels hebben. Ze kunnen dus geen hersenen vormen en verschillen daarom van menselijke embryo’s. Uit zo’n opmerking komt een bepaald perspectief op wat een embryo tot embryo maakt naar voren.”

“Definities doen ertoe”, zegt Ismaili M’hamdi. “Ze lijken biologisch gezien neutraal, maar ze wijzen bepaalde kanten op. Vertrek je vanuit de Nederlandse definitie, dan zijn de blastoïden die wetenschappers in het lab maken misschien wel embryo’s.” Dat zou kunnen betekenen dat ze onder dezelfde wetgeving moeten vallen als menselijke embryo’s, waardoor onderzoek op deze entiteiten alleen onder strenge voorwaarden mogelijk wordt.

Ismaili M’hamdi spreekt in dit verband over ‘definitiemacht’: wie mag bepalen wat een embryo is? “Als je begint met een definitie en dan pas gaat nadenken of je er onderzoek mee mag doen of niet, dan heb je een hele stap gemist. Degene die besluit wat een embryo is, zet als het ware de piketpaaltjes om het ethische gesprek heen. De vraag is: wie mogen die piketpaaltjes zetten?”

Publieke dialoog

Wie beslist wat een embryo is? “Zulke filosofische vragen moet je niet alleen aan biologen overlaten”, zegt Ismaili M’hamdi. “Ik zeg niet dat ethici de antwoorden hebben, beslist niet, maar het is een multidisciplinair vraagstuk. De eerste stap is om het ook te herkennen als een multidisciplinair vraagstuk.”

Nederland is volgens hem op de goede weg, want Ismaili M’hamdi maakt deel uit van een brede commissie die de Gezondheidsraad adviseert over de 14-dagen-grens (een wettelijke afspraak die verbiedt om restembryo’s, overgebleven van IVF-behandelling, langer dan 14 dagen in leven te houden voor onderzoek). “In die commissie zitten biologen, ethici en juristen. Het is belangrijk om experts uit verschillende disciplines te raadplegen om tot een zo rijk mogelijk plaatje te komen.”

De Graeff is het daarmee eens. Ze pleit ervoor om het begrip ‘expert’ niet te nauw te definiëren. “We gebruiken het woord ‘expert’ meestal om te verwijzen naar een professioneel expert. Maar je kunt dit begrip veel breder gebruiken. Als je relevante kennis hebt omdat je patiënt bent geweest, dan heb je ook expertise op een onderwerp.”

In haar onderzoek gaat zij op zoek naar een breed overzicht aan overwegingen, argumenten en waarden die spelen in de discussie over de juiste omgang met embryo-modellen. De brede dialogen die NEMO Kennislink organiseert zijn een onderdeel van haar onderzoek. “Biomedici en ethici kijken vanuit een academisch bril. Een publieksdialoog kan helpen om aanvullende invalshoeken, argumenten of waarden te identificeren die relevant kunnen zijn voor een ethische analyse.”

Expertise op het gebied van biomedische technieken is niet noodzakelijk om deel te nemen aan zo’n gesprek, vertelt De Graeff: “Juist mensen die geen belang hebben bij deze kwestie, kunnen vanuit een breder perspectief denken. Zij dragen mogelijk argumenten aan die anders worden gemist.”

Het PSIDER-project laat ons opnieuw nadenken over de Embryowet en de definitie van een embryo die we in onze wetgeving hanteren. De huidige wetgeving kwam tot stand toen embryo-modellen nog niet bestonden. De nieuwe technologie spoort ons aan om opnieuw na te denken over wat het betekent om embryo te zijn en wat het betekent om mens te zijn. Mede hierom is de wet recent opnieuw geëvalueerd.

Naar aanleiding van deze evaluatie zal de definitie van ‘embryo’ worden aangepast, zegt minister Ernst Kuipers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Hierdoor zullen ook op embryo-modellen (of ‘embryo-gelijkende structuren’), indien ze een intact embryo nabootsen, onder de definitie van embryo gaan vallen. Als deze embryo-modellen onder de Embryowet komen te vallen blijft onderzoek hiermee mogelijk, maar gelden dezelfde randvoorwaarden als voor onderzoek met embryo’s.

Het is nog geen uitgemaakte zaak hoe de nieuwe definitie precies zal luiden. De definitie-wijziging maakt deel uit van een breder wetsvoorstel om de Embryowet aan te passen. Aanvankelijk zou het voorstel eind dit jaar naar de Kamer gaan, maar die planning is niet haalbaar staat in een Kamerbrief van 16 december 2022.

In die Kamerbrief valt te lezen: “Onderdeel van het conceptwetsvoorstel is onder andere het aanpassen van de wettelijke definitie van het begrip ‘embryo’. Dit is een complexe aanpassing die zowel juridisch als inhoudelijk om uitwerking vraagt. Hierbij is ook een goed begrip nodig van de huidige stand van de wetenschap. Dit vraagt om goede en zorgvuldige afstemming met het veld (zoals klinisch embryologen, onderzoekers, ethici en de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek). De verwachting is dat voor de zomer 2023 het concept gereed is zodat daarna de internetconsultatie en toetsing opgestart kunnen worden.”

Wil je meepraten over dit onderwerp? In 2023 organiseert NEMO Kennislink brede dialogen over embryo’s uit het lab. Houd de themapagina in de gaten of meld je aan voor onze nieuwsbrief om als eerste op de hoogte te zijn.

Verder lezen: